Op 13 maart 2025 heeft het kabinet een wetsvoorstel ingediend bij de Tweede Kamer dat voorziet in een tegenbewijsregeling voor box 3. Deze regeling stelt belastingplichtigen in staat om aan te tonen dat hun werkelijke rendement lager is dan het forfaitaire rendement waarop de belastingheffing momenteel is gebaseerd.
Het voorstel is een reactie op eerdere uitspraken van de Hoge Raad, waarin werd geoordeeld dat het huidige box 3-stelsel in strijd is met het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) wanneer het forfaitaire rendement hoger is dan het daadwerkelijk behaalde rendement.
De aanleiding voor dit wetsvoorstel ligt in het zogenoemde ‘Kerstarrest’ van de Hoge Raad op 24 december 2021. In dit arrest werd vastgesteld dat het sinds 2017 geldende forfaitaire stelsel in box 3 leidt tot een schending van het discriminatieverbod en het eigendomsrecht zoals vastgelegd in het EVRM, met name in gevallen waarin het forfaitaire rendement hoger is dan het werkelijke rendement van belastingplichtigen. Hoewel de Wet rechtsherstel box 3 en de Overbruggingswet box 3 sindsdien zijn ingevoerd om dit probleem aan te pakken, oordeelde de Hoge Raad op 6 juni 2024 dat deze wetten nog steeds niet voldoen aan de eisen van het EVRM. Daarom is nu een wettelijke tegenbewijsregeling voorgesteld.
Kernpunten van de tegenbewijsregeling
Het wetsvoorstel introduceert een regeling waarbij belastingplichtigen kunnen aantonen dat hun werkelijke rendement lager is dan het forfaitaire rendement. Indien zij hierin slagen, wordt de belastingheffing gebaseerd op het lagere werkelijke rendement. De regeling geldt voor belastingjaren vanaf 2017, mits de aanslagen nog niet onherroepelijk vaststonden op 24 december 2021 of later zijn opgelegd, en er tijdig bezwaar is gemaakt of een verzoek om ambtshalve vermindering is ingediend. Voor de jaren vanaf 2021 geldt de regeling voor alle belastingplichtigen met box 3-inkomen.
Het werkelijke rendement wordt vastgesteld op basis van het totale vermogen in box 3, inclusief banktegoeden, zonder aftrek van het heffingsvrije vermogen. Het omvat zowel directe opbrengsten zoals rente, dividend en huur, als vermogensaanwas, waaronder gerealiseerde en ongerealiseerde waardeveranderingen van bezittingen. Voor onroerende zaken wordt de waardeverandering bepaald aan de hand van de WOZ-waarde aan het begin en einde van het jaar. Kosten zijn in principe niet aftrekbaar, met uitzondering van rente op schulden die tot het box 3-vermogen behoren. Er is geen mogelijkheid tot verliesverrekening over verschillende jaren.
Praktische uitvoering
Vanaf de zomer van 2025 zal de Belastingdienst een formulier ‘Opgaaf werkelijke rendement’ beschikbaar stellen, waarmee belastingplichtigen hun werkelijke rendement kunnen aangeven. De Belastingdienst zal ondersteuning bieden bij het invullen van dit formulier, onder andere via brieven, informatie op de website en persoonlijke hulp op belastingkantoren of steunpunten.
Het Centraal Planbureau (CPB) heeft de budgettaire raming van het wetsvoorstel gecertificeerd. De mogelijkheid voor belastingplichtigen om hun box 3-aanslag te verlagen wanneer zij aantonen dat hun werkelijke rendement onder het forfaitaire rendement lag, zal naar verwachting leiden tot een afname van de geraamde box 3-ontvangsten voor de jaren 2017-2027.
De tegenbewijsregeling is een tijdelijke maatregel die geldt totdat een nieuw box 3-stelsel wordt ingevoerd, waarin uitsluitend nog over het werkelijke rendement zal worden geheven. De verwachting is dat dit nieuwe stelsel per 1 januari 2028 in werking treedt.
Voor vastgoedbeleggers en andere investeerders betekent deze regeling dat zij nauwkeurig hun werkelijke rendement moeten bijhouden en documenteren, om eventueel in aanmerking te komen voor een lagere belastingheffing. Het is raadzaam om tijdig advies in te winnen en de benodigde gegevens te verzamelen, zodat men voorbereid is op de invoering van het nieuwe stelsel en de bijbehorende administratieve verplichtingen.




